opgedragen aan C. Labega

1. Niet het eilandmeisje dat ik ooit moet zijn geweest

rennend de cassaveheuvel af.
eindelijk in dit begoochelende licht.

met mijn geweer van hout waarmee ik joelend
klein gevogelte de stuipen op het lijf jaag.

suikerdiefjes kieviten en musduiven.
een tumultueuze kluwen
die hysterisch op de vlucht slaat
voor mijn eenpersoonsmilitie.

dat ik mijzelf niet bijhoud door mijn vaart.
dat ik met scherp schiet
als ik mij onzichtbaar waan.

hoe ver nog voor ik thuis ben
en ik alles moet verklaren.

wil ik de striemen op mijn lijf vergeten
moet ik mij in twijfel trekken.

daar ligt het dal met de rivier
en de gekleurde kleine eilandhuizen.

buiten adem val ik stil.

2. Geen apologie

Eén krappe seconde keek ik niet uit. Schelle ochtendgeluiden. Een bonkende wasmachine. Het raspende geblaf bij de buren. Krekels, diep weggestopt in het zonovergoten kraterlandschap. De wind in huis en de zee die raast boven alles wat weegt en zich onzichtbaar waant en dat onvertaalbare gekrijs, klein en stevig, ergens vandaan, schuin links van mij of diep vanuit mijn buik misschien, de spuug- en etensvlekken op mijn lyrisch witte uniform, pas gewassen, nee zo kon ik niet naar mijn werk. Dat geloei, stil werd ik ervan, een ijsvlakte met zo’n pijlsnelle drone die er vlak overheen scheert, over mijn huis, over mijn eiland – kijk, dat zwart-witte figuurtje daar, dat ben ik, een flakkerende ziel terwijl een ijssplinter ter grootte van een wolkenkrabber achter haar losschiet en met een trage spoed uit elkaar barst. Het rimpeleffect van zo’n breuk, het ging zo snel, alles scheurde, koplampen die op mij af blijven stormen, die er al zíjn, heel dichtbij, lichtgevende ogen zonder pupillen kunnen niets zien dus je trapt op de rem, geeft instinctief een ruk naar rechts en opeens is het daglicht hermetisch achter slot en grendel en toen was ik het kwijt en was ik alles kwijt, ijsklont klapte op ijsklont, zo streng en massief dat ik kraakte, wit was mijn spierwitte uniform maar daaronder was ik zwart en naakt, mijn naamkaartje had ik alvast opgespeld, veel patiënten vergeten wat ik ben want naamloos ben ik git en inkt en roet, een donker spook dat bij de bedrand staat, het gordijn dichttrekt, de hartslag inspecteert en glimlacht, altijd glimlacht, ik ben wel wat gewend.

3. Geen restitutie

ben ik mijn evenbeeld schenk mij
de kalmte te aanvaarden
wat ik niet aanvaarden kan
dan schenk ik u vergeving.
pling als de stoom haast
uit mijn oren komt plong
als ik naar huis loop door de donkerblauwe straten
en vermoed dat al dit dagelijkse leven
nooit bestond.
het dagelijkse leven is een muizenval.
mijn lot is niet van mij
maar van een geesteloze taal
met een surplus aan synoniemen.
neem het verschil tussen *hatsjie* heidenen
en ongelovigen.
verdeeld in zwart en wit en bruin en geel
et cetera.
een rubricering die mij niet geruststelt
als een slaapliedje!
ook op de tast weet ik de deur te vinden
naar mijn vroegste coördinaten
maar als ik groen kan uitslaan
ben ik geen vooruitgang.
zoals de slavernij niet leidde
tot het einde van de slavernij
maar tot een groepje voorouders
dat elke nacht opnieuw
de wirwar van plantages blijft ontvluchten maar steeds stuit je op de oceaan.
ik kan mij haast niet kleiner maken
dan mijn omvang
maar ik wil mij in een hoekje stoppen.
mijzelf plus mijn futiele revoluties.
moet ik goed zijn?
dat kost tijd.
van gekkigheid kunt u mij alles beloven.
land.
geld.
liefde.
een pantser.
een bloedband.
maar kunt u mij zien?
kunt u mij verklaren?
of spreek ik u niet aan
en kunt u mij ook niet verstaan?
omdat mijn woord er niet toe doet?
omdat omdat omdat omdat ik slecht
over u spreek?
en niet zonder reden?

4. Geen nieuws

Na een zoektocht van uren werd de vrouw gevonden, dochter van ons eiland, gekleed in een besmeurd verpleegstersuniform, ergens op de rotskust aan de zuidoostkant ter hoogte van de Coloradotoren – het gesteente en de rotsen die ons eiland zo fraai aftekenen zijn, zoals u allen weet, van diverse oorsprong, zoals vulkanisch lava, kwartsdioriet, tonaliet, hooiberggiet en kalksteenkoraal. De vrouw verklaarde dat ze niet kon zwemmen, dat ze zich niet verzetten zou, echt waar, dat haar kind was meegesleurd door de rivier die klaar was als kristal. Kortom, het betrof een kristallen rivier. Wat wij niet kunnen rijmen. Want zoals wij allen weten kent ons eiland geen rivier. Geen permanente. Wel zijn er zogenaamde rooien, kloofvormige dalen in het heuvellandschap die zich in de regentijd met water vullen. De vrouw zonder verwantschap vermoedde dat zij haar kind iets ergs had aangedaan, eerst had het nog afgrijselijk geschreeuwd om iets en ze verklaarde dat ze steen voor steen ons wingewest doorzoeken zou, dit vruchtbaar stukje grond aan alle kanten door een watermuur omringd, op zoek naar die rivier van puur kristal waarin haar kind verdwenen was en heel haar toekomst en verleden, in een verschrikkelijke stroming, zoals een stukje zeep dat uit je handen floept – mevrouw, een kind is toch geen stukje zeep, maar dat begreep ze niet, waar ze het kindje voor het laatst had horen gillen, krijsen, bidden, prevelen, stelt u zich voor, honderden buffels die massaal op hol slaan na een aanval van een heel klein troepje leeuwen, vier, vijf leeuwen, echt niet meer, en dan verdrinken, dat hese gejank van al die levende wezens zonder grammatica of geloof, het spetteren, de zwakste dieren door hun soortgenoten verpletterd – de autoriteiten hoorden alles lijdzaam aan, een doodgewone moeder en haar kind, aan de rand van een heimelijk, vloeibaar wonder, een piëta en toen gleed het weg en zij liet los. En de rivier die (als wij haar geloven mogen) ons eiland zo-even nog in tweeën had gespleten, als een dispuut, in hier en daar, in schamel en gegoed, viel stil en droogde binnen drie, vier tellen op. Het water sloot zich en was kwijt. Niemand die iets heeft gezien, gehoord of het kan navertellen. Hoe vvolg je het onbestaanbare terug naar zijn bron? Met een vergrootglas? Met een landkaart? De wind die uit één richting in je rug blijft porren, als een stok, tot je er gek van wordt. Nota bene in de moessonmaand. Naar het kind wordt nog gezocht.

5. Geen verval

opgekruld langs de rivierbron liggen.
zonder nut en zonder ketenen.

zei ik iets – ik moet niet zo mompelen.
of ik van vlees was en hoe laat of het is.

met je kleine wijsvinger wees je omhoog
naar een zwerm krijsende vogels.

zwarte vogels, helder zwart rivierwater.
dorstlessend water uit de bron van inkomsten.

je handjes en je oogjes en je haartjes
en eindelijk eindelijk eindelijk gekalmeerd.

hier zijn geen bergen en al helemaal
geen vogels, hoe haal je het in je hoofd.

6. Geen spam

Van: l1awxma1@btconnect.com
Verzonden: woensdag 13:17
Onderwerp: RE: Bericht plaatsen
ik neem contact met u op in de hoop dat het goed met u gaat? dit bericht betreft mijn onbevlekt ontvangen kind dat verdween in een rivier die kan ik niet terugvinden hoe ik ook zoek. op een eiland midden in een zee van water dus u kunt er niet echt bij maar dit eiland bestaat! spookschepen meren al eeuwenlang aan en hun spookbemanning houdt huis met zweepslagen en stretchers op de stranden! hier woon ik samen met andere schatmeesters waarvan ook niemand nog gelooft dat zij bestaan, edoch zij vragen niet om hulp ter waarde van zes miljoen vijfhonderdduizend amerikaanse dollar of iets dergelijks, ook niet om verlossing of om troost maar ik sta op een heuvel en ik zwaai naar u, kunt u mij zien, zwaai dan terug en help mij zoeken! niets meer te betwijfelen en niets te vrezen want op een dag zal ik het vinden, volwassen en volgroeid maar met mijn naam nog op de lippen, in de volle zon onder een maan vol sterren want mijn kind is mijn getij, mijn zwarte goud. volg mij geheel vrijwillig 24 uur per dag! hoe ik de loop van de ontwaterde rivier die mij aanhoudend roept en uit een steenrots is ontsprongen achtervolg, ik smeek u sta mij bij, dan volg ik niet alleen als ik u kan vertrouwen.

7. Geen malaise

verdorde plantages, kaarsrechte cactussen.
resten van een ingestorte trap
verkoolde balken.
een bedframe aan flarden gescheurd.
touwen die zwiepen als stroppen aan takken.
een ezel die levensecht het duister binnenglipt
en overal stroomkabels verlengsnoeren.

er is in dit elektrische sprookje
op het eerste gezicht
helemaal geen plaats voor mij!

maar alleen op het eerste gezicht.

8. Geen spam (afbeelding kan bevatten: 1 mens die glimlacht, schreeuwt, zit, bidt)

[…] het ding met transcendentie is dat je niet eeuwig leeft, in feite ga je er helemaal niet op in het is gewoon een kopie van je oorspronkelijke zelf, omgezet in een volgende vijfde zesde dimensie wie zal het zeggen. dan is er ook het feit dat mensen bereid zijn zichzelf om te brengen of te sterven ook al is dat onmogelijk, zoals verdrinken in een rivier die niet bestaat maar nochtans zich verheft en haar bruisen verheft en haar aanstoting verheft en dat, oh yeah, is waarschijnlijk omdat je bent belogen over de echte waarheid achter het ingaan in een vierde vijfde dimensie wie zal het zeggen. maar de waarheid is je hebt slechts één brein. en dat je brein geen dimensies bevat maar een plat vlak is zonder energie. wat je aan het maken bent, is geen kopie van je brein maar een replica gegenereerd uit je verleden! zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb. zeg dat niet!

9. Geen rust

stuifzand: restanten van dit stroomgebied.
keihard rennen over de gekraakte bodem.

ik had een vluchtplan klaar, een strijdplan
en toen was het plotseling tijd
om te slapen, stresskonijntje dat ik ben
en daarom ben ik gebleven en ik slaap
en ik dwaal maar, dromend en woelend, duim
in de mond, soms schudt iets mij wakker
omdat ik zo schreeuw, gauw slaap ik weer in.

10. Geen rivier

Ik ben. Een rivier. Zwart als. Een scheur. Ben ik niet. Wijs en niet. Van mij. Ik stroom. Op een eiland. Slaat het. Nergens op. Rivier te. Zijn maar. Ik besta. Voordat ik droog. Val. Ketens. Dieren. Kralen. Wrakhout. Kledingstukken. Mensen. Muntstukken. Alles slorp. Ik op. Lust ik. Rauw ik. Draai mijn. Hand niet. Om voor. Een goed. Gesprek wie aan. Mijn oevers staat. Heeft het. Niet meer. Dan troost. Ik droog of. Niet een tropisch. Eiland met. Een rivier wat. Een giller. Laat staan. Laat staan. Een waterval. Wie vraag ik u. Verzint zoiets. Wacht daar. Loopt het. Antwoord af. En aan. Een wezen gehuld. In een. Uniform. Eerst wit. Als een ultimatum. Nu vuil-grijs. Met modder- en bloedvlekken. Wat een. Contrast met haar. Volkomen. Uitgedroogde huid. Wat. Lacht ze. Hard wat. Roept ze. Nou. Ik zeg. Wat roept u. Nou. Als u niet. Vindt wat. U zo. Dringend zoekt. Kom zwem. Dan in. Mij wees. In mij. Al. Viel ik. Droog al. Ben ik niet. Maar ach. Ze kan niet. Zwemmen roept. Ze hard en slaat. Mijn oppervlak dat. Doet geen. Pijn. Want ik. Ben. Een constructie. Van woorden. In geen. Enkele taal ook. Geen abstracte. Een lichte. Groeve in de. Rotsvlakte ben. Ik vloeibare. Wildernis steek. Je over. Word je. Geboren. Of betreed. Je het. Donker je. Stapt moeiteloos. Over mij. Heen als. Over. Een klaterende. Houten. Vloer al. Ben je. Een toerist. Desnoods een. Kolonist. Maar wie. In mij. Gelooft. Wacht. Narigheid. Ellende. Beroerdigheid. Ook op. Dit eiland. Eén dag. Koningin te. Zijn of. Koning der. Blinden.

11. Geen afloop

nu praat ik tegen u, bij uw bron
in een uithoek van het eiland.

nu ziet u mij tekeergaan met mijn vuisten
tegen de patrijspoort van mijn isolement
en ik roep iets.

nu ziet u mijn behuizing
door de liederlijke uitgestrektheid tollen.
een dobbelsteentje, al hoe kleiner

en nu ziet u mij niet langer maar u weet
dat ik nog altijd op datzelfde raampje bons.

mooi hoor, al dat oude sterrenlicht en geen
planeten, zo ver weg, zo dichtbij.

Alfred Schaffer (1973) is dichter en werkzaam als docent aan de vakgroep Afrikaans en Nederlands van de Universiteit Stellenbosch in Zuid-Afrika. Zijn meest recente dichtbundels zijn Mens Dier Ding (2014) en het bibliofiele Postuum. Een lofzang (2016).

Meer van deze auteur