‘We need an erotics of art.’
       Susan Sontag in: Against Interpretation, 1964

Ruth van Beek

1. Lucas van der Deijl en Roel Smeets publiceerden in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (2018, jaargang 134, nr.2) een uitvoerig artikel over Peter Buwalda’s roman Bonita Avenue. Titel: ‘Tussen close en distant. Personage-hiërarchieën in Peter Buwalda’s Bonita Avenue’. Ze vragen zich af wie de hoofdfiguur in de roman is: Siem Sigerius, zijn (stief)dochter Joni Sigerius, of haar (ex-)vriend en Sigerius’ (ex-)schoonzoon Aaron Bever. ‘Who cares,’ schreef ik in de kantlijn. ‘Als het boek maar mooi is,’ schreef ik erbij, of vreemd, of tragisch, of beeldend, of onzinnig, of iets schept, een kans, een mogelijkheid, bedacht ik later, maar dat schreef ik er allemaal niet bij. Romanlezen moet mogelijkheden scheppen, denk ik vaak, liefst nieuwe. Lees ik ooit een roman om vast te stellen wie het hoofdpersonage is? Van mij mag het natuurlijk. Maar raar vind ik het wel. 

Joseph North schreef in Literary Criticism. A Concise Political History (2017): ‘Very few people, it seems to me, start reading a novel by Virginia Woolf with the primary aim of learning more about British cultural life in the 1920s. Most of those who do are scholars.’ Nee, stel je voor dat je daarom haar boeken leest. Maar toch kom je dit soort leesdoelstellingen steeds vaker tegen in wetenschappelijk georiënteerde literatuurbeschouwingen. Jane Eyre lezen als pleidooi voor kolonialisme, De Balzacs werk als pleidooi voor marktdenken, Madame Bovary als antifeministisch pamflet, Conan Doyles Sherlock Holmes-verhalen als verwerpelijke voorbeelden van kapitalistisch denken (deze analyses bestaan!). Verbazingwekkend. Moet ik er via analyses van romans van overtuigd worden dat kolonialisme, racisme, kapitalisme en seksisme bestaan? En dat ze verwerpelijk zijn? Menen ze dat echt? Maar dat wist ik toch al, daar heb ik geen romans voor nodig. 

Lezen op zoek naar de bekende weg, van mij mag het. Nee, het moet zelfs zo nu en dan. Over literatuur moet in het openbare debat alles worden gezegd en geschreven. Roep zo luid mogelijk je overtuigingen uit in je recensies, artikelen en columns. Geef je mening: lees literatuur als een politiek statement, als elitair gebazel over de hoofden van arbeiders heen of als diepzinnige maatschappijkritiek. Doe het. Laat onderdrukking zien, toon haar nog een keer aan, of ontken haar, schreeuw je mening van de daken, pleit voor of tegen engagement, voor of tegen l’art pour l’art. Lees schrijvers en schrijfsters de les, beschuldig ze van… ja, van ‘witheid’, van exclusief denken, van lulkoek, antifeminisme, racisme. Geef ze ervanlangs, of verklaar je liefde. Dat doe ik ook in artikelen en recensies. 

Verrek, de onderzoekers zijn dus feministen, mooi hoor, dat ben ik gelukkig ook

Iets anders is het wanneer je wetenschappelijke pretenties hebt, zoals Van der Deijl en Smeets. Dan komt het aan op verheldering van vooronderstellingen, op hardop en scherp denken over grondslagen van lezen en van interpreteren, op de precieze formulering van doelstellingen, op rationalisaties en explicitering. Op controleerbaarheid. North is er in zijn studie ontevreden over (ik ook) als onderzoek naar culturele en maatschappelijke opvattingen in literatuur het enige is dat literatuurwetenschap te bieden heeft. Hij meent (ik ook) dat de huidige wetenschappelijke literatuurbeschouwing meer en meer verschuift in de richting van ‘diagnostisch’ onderzoek naar culturele en maatschappelijke ideeën in het algemeen. ‘We might call this the “historicist/contextualist” paradigm, by which I simply mean that almost all of the most influential movements in literary studies since the 1980s have proceeded on the assumption that, for academic purposes, works of literature are chiefly of interest as diagnostic instruments for determining the state of the cultures in which they were written or read.’ 

Van der Deijl en Smeets’ onderzoek past in deze beschrijving, al wordt dat pas verderop in hun artikel duidelijk. Op het eerste gezicht lijken ze onderzoek te willen doen naar persoonlijke relaties en hiërarchieën in romans. Personage-onderzoek. ‘De vraag naar het belangrijkste personage in een vertelling veronderstelt dat lezers bewust of onbewust een onderlinge hiërarchie aanbrengen tussen de personages,’ schrijven ze. Vast en zeker doen lezers dat. Ook wanneer ze Buwalda’s roman lezen. Ze doen het namelijk altijd. Echt waar. Als je het als lezer niet doet, ben je niet in staat romans te lezen, dan snap je ze niet, dan zijn het rare papieren pakketjes met vreemde tekens erin waar geen touw aan vast te knopen is. Lezen betekent dat je iets interpreteert, dat je betekenis geeft, ja ook aan personages en hun functie. Dat kan alleen als je, voordat je een roman leest, al weet (dat heb je geleerd tijdens je leescarrière) wat ‘een personage’ is, welke rol zo ‘iemand’ in het geheel kan spelen. Lezers weten dit, ze weten dat er in romans altijd (ja, altijd) meerdere personages zijn, waarvan de een een grotere rol speelt dan de ander. 

De schrijvers hielden ‘een eenvoudige online enquête’ waarin lezers werd gevraagd vast te stellen wie volgens hen het belangrijkste personage in Bonita Avenue is. Zou dit wetenschappelijk zijn? Enquêtes, het klinkt wetenschappelijk, want dan krijg je getallen. En met getallen kun je iets berekenen. Getallen zijn waar. Toch? Schreven Van der Deijl en Smeets in de begeleidende tekst aan de deelnemers van de ‘eenvoudige online enquête’ dat zij zelf al wisten wat de uitkomst ervan zou zijn? Omdat zij het boek al hadden gelezen? Sigerius gaat nummer 1 worden? Vast niet. Ze kregen 170 antwoorden. En de score was (surprise, surprise): Siem Sigerius 55,9%, Aaron Bever 29,4%, Joni Sigerius 14,7%. Meeste stemmen gelden: Sigerius is de winnaar. Ze betrokken ook recensies bij hun onderzoek. Het mag allemaal van mij, maar waarom doe je onderzoek naar evidenties? Ze hadden uiteraard zelf allang over de mogelijke hoofdfiguur gepeinsd, in hun hoofd circuleerde allang een lijstje met kandidaten voor ‘belangrijkste personage’. Drie kandidaten! Maar waarom zouden niet-academische lezers er andere theorieën over de belangrijkste personages op nahouden dan zijzelf? Ze hebben toch allemaal hetzelfde boek gelezen? Of gaan ‘gewone lezers’ de Jehova’s op pagina 395 van Buwalda’s boek plotseling uitroepen tot hoofdpersonage? Ja, zou kunnen, je moet als wetenschapper alles uitsluiten. Maar is dit belangrijk? Waarom lezers over iets ondervragen als je de uitkomst al weet? Ze hadden het uiteraard ook aan Buwalda kunnen vragen (even mailen), was wel zo beleefd geweest. Schrijvers hebben zelf ook theorieën over hun personages. Echt waar, ja, zij ook. 

Wat een raar onderzoek! Lezers vragen wie het hoofdpersonage van een roman is. Wilden ze dat werkelijk weten? Het ging natuurlijk om iets anders, maar dat staat verderop, pas dan komt de aap uit de mouw. Ze wilden namelijk onder andere onderzoeken hoe in Buwalda’s roman machtsongelijkheid is gerepresenteerd. Ze wilden een bijdrage leveren aan ‘kritische analyses van representaties van onder andere gender, ras en klasse’. De vrouwrol is volgens hen in Buwalda’s roman ‘eendimensionaal’. ‘Joni’s rol,’ schrijven ze, ‘wordt in belangrijke mate bepaald door haar effect op mannen. Haar persoon omvat weinig meer dan haar seksualiteit en wordt gepresenteerd via vrouwelijke clichés als de Elektra-figuur en de femme fatale.’

Ze lazen Buwalda’s roman dus als voorbeeld van seksistisch schrijven waarbinnen de bekende patriarchale patronen worden gereproduceerd. Maar zeg dat dan erbij als je een enquête houdt. Om andere aspecten van de roman ging het ze uiteraard niet, ik ben er, met North, bijzonder ontevreden over. Ze wilden hun maatschappelijke mening bevestigen via de analyse van een roman. Lezen met een zaklantaarn heet dat. 

Informeerden Van der Deijl en Smeets de deelnemers aan de enquête over een van de achterliggende doelen van hun onschuldig ogende onderzoek: de ontmaskering van Buwalda als seksist? Zetten ze erbij dat ze alleen literatuur waarderen waarin ‘de’ vrouw ‘meerdimensionaal’ en bevrijd van vooroordelen wordt ‘gerepresenteerd’? Gaven ze hun onderzoekkader aan? Bijvoorbeeld zo: ‘We gebruiken de uitkomst van deze enquête in een onderzoek naar het eendimensionale en clichématige beeld dat Buwalda in zijn roman van de vrouw geeft. Dit onderzoek past in een grootschalig onderzoek naar eendimensionale beelden van de vrouw in de Nederlandse samenleving. Wij proberen dat beeld via analyses van literatuur aan te tonen en te laten zien dat het op verkeerde ideeën over de vrouw berust. Op langere termijn willen we hiermee de positie van de vrouw in de Nederlandse samenleving versterken.’ Explicitering hoort er wel bij, vind ik, anders heb je geen wetenschap en krijg je maar misverstanden onder de geënquêteerden. 

Romans moeten het niet hebben van oordelen maar van vooroordelen

Verrek, de onderzoekers zijn dus feministen, mooi hoor, dat ben ik gelukkig ook. Maar dat kun je toch ook zijn of worden zonder een roman te lezen of te analyseren? Wat willen ze: dat we feminist worden of dat we een roman lezen? 

Maar goed, wat een raar onderzoek! Personages functioneren in romans als retorische constructies, niet als werkelijkheidsvervangers. Het zijn vervoermiddelen van opinies, ze leven van contrasten, onderlinge verhoudingen, tegenstellingen, misverstanden, tegenspraken, ze zijn handlangers van schrijvers, boodschappenjongens, ze zijn symbolen van de illusies van schrijvers. Lezers weten dit heel goed, ze denken erover na tijdens het lezen, ze reageren, ze koesteren zelf illusies over mensen en personageconstructies, hooggestemd of niet, verlangend of niet. Ze roepen kijk-uit-achter-je-, ze hebben ze lief of niet, ze vinden het aanstellers of niet. Lezeressen en lezers weten dat het constructies zijn, maar dat hoeven ze niet steeds te zeggen of te denken. Constructies opgetrokken uit stijlfiguren, retorische ingrepen, symbolen en verhoudingen. Ze zijn onecht, ze zijn onaanwijsbaar, ze lopen niet in het wild rond, ze zijn de onnatuurlijkheid zelf. Het zijn niet de buren, niet hun kinderen, niet hun geliefden. Het is niet Napoleon, het is niet de babysitter van gisteren, het is niet Rutte, het is niet de aardige jongen van hiernaast. Het zijn zetstukken in een retorisch systeem dat literatuur heet, ze vormen de materie ervan. Ze zijn een vorm van het verlangen van de schrijver. Van zijn of haar mythe en ideologie. Ze zijn metonymia, paradoxen, dromen, inbrekers, mogelijke werelden. Vooroordelen zijn het, waar je je eigen vooroordelen mee kunt vergelijken. Romans moeten het niet hebben van oordelen maar van vooroordelen. 

Van der Deijl en Smeets weten dit uiteraard, maar in hun artikel leggen ze onvoldoende verantwoording af van de retorische systemen waarbinnen de vele personages uit Buwalda’s roman zich ophouden. Daar zijn ze niet in geïnteresseerd. Ze blijven aan de inhoud kleven. Bij hen blijven personages psychologische portretten van de buren, werkelijkheidsvervangers, geen zetstukken in een taalorganisatie. Ze lezen literatuur als een weerspiegeling van ‘echtheid’, niet als een eigen werkelijkheid. Wel brengen ze in hun artikel letterlijk met afbeeldingen (‘netwerkvisualisaties’) in kaart hoe de personages zich tot de hoofdfiguren verhouden en hoe de hoofdfiguren zich ten opzichte van elkaar verhouden. Voor hen zijn personages netwerkzetstukken, zoals je ook in het ‘echt’ mensen, politici, zakenlui, oorlogshitsers, wie dan ook, in netwerkverbanden kunt plaatsen. Personages zijn bij hen ‘echt.’ Ze hanteren in hun leeswijze van literatuur een op Plato terug te voeren weerspiegelingstheorie over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid. 

Van der Deijl en Smeets’ onderzoek is een treffend voorbeeld van wat Paul Ricoeur ooit ‘the hermeneutics of suspicion’ noemde. Romans lezen als rapportages van verborgen betekenissen en bedoelingen. Ontmaskerend lezen. Dit type lezen van literatuur is altijd ‘on the lookout’ zoals Rita Felski het in haar voortreffelijke The Limits of Critique (2015) noemt. Altijd ‘scrutinizing, scanning, searching, surveying, observing, gazing, examining. This looking is not a yielding gaze of pleasure, absorption, or entrancement, but a sharp-eyed and diligent hunt for information, as we press beyond appearances to ferret out hidden dangers. In other words, we are both wary of something yet also exceptionally attentive to its presence.’ 

Toril Moi pleit in Revolution of the Ordinary (2017) voor lezen als een vorm van kennisverwerving. Volgens haar zouden we ons als lezers, waarbij ze zowel ‘gewone’ als ‘wetenschappelijke’ lezers bedoelt, in een positie moeten plaatsen waarin we van een roman iets kunnen leren en zeker niet alleen of hij wel genoeg tegemoetkomt aan onze maatschappelijke opvattingen. ‘In this way, reading can become an adventure, an exploration of the unknown.’ Studies in de stijl van Van der Deijl en Smeets zijn geen avontuur, ze onderzoeken het bekende dat ze van tevoren in de roman of de tekst aanwezig veronderstelden. Hun eigen opinie over een maatschappelijke kwestie. Ze zien van tevoren al wat ze willen zien en vervolgens lezen ze dat ook. Ze besteden geen aandacht aan andere leeskansen en leesmogelijkheden van een roman. Ze willen hun politieke gelijk (dat ze van mij allang kregen) illustreren met romans en slaan andere leesmogelijkheden over. Deze onderzoekers lezen eendimensionaal. Ze ontmaskeren datgene waarvan we allang weten dat het ontmaskerd is en dat we ertegen zijn: kolonialisme, racisme, antifeminisme, kapitalisme. Waarom keer op keer hameren op hetzelfde? Hebben romans niet meer te bieden? Wat heb ik als lezer aan dit eeuwige gelijk? Wat moet ik er als schrijver mee? 

Ze lezen als Trump, ze beschouwen de roman als een complot en niet als een mogelijkheid

De sterk feministisch georiënteerde Moi en Felski laten glashelder zien, veel beter dan ik hier doe, hoe deze ‘methodische opzet’ van literatuuronderzoek werkt. Literatuurliefhebbers: lees de boeken van Moi en Felski zo snel mogelijk, laat je niet inpakken door zaklantaarnlezers. Het kan en moet volgens Moi anders. ‘By picturing reading as a practice of acknowledgement,’ schrijft ze, ‘we will avoid the temptation to treat texts as illustrations of our own pre-existing theories.’ Ze noemt onderzoek in de stijl van Van der Deijl en Smeets een vorm van ‘essentialistisch’ lezen. Ik noem het liever ‘onbeleefd’ lezen, ‘ontmaskerend’ lezen is wie weet beter. Beschuldigend lezen, dat is het. 

Misschien nog scherper en zeker uitvoeriger dan Moi argumenteert Rita Felski in The Limits of Critique  tegen dit ‘beschuldigende’ en ‘ontmaskerende’ lezen. Ze laat zien dat de ‘beschuldigende’ lezer altijd eerst de romantekst transformeert in een andere tekst, een samenvattende tekst, die de schrijver niet geschreven heeft, maar waar de ‘beschuldigende’ lezer zijn/haar beschuldigingen op baseert. Zo’n lezing gaat nooit uit van een bestudering van vorm, intentie, retorica van een romantekst, alleen op de inhoud en laat de meervoudige intenties van schrijfsters en lezeressen, hun mogelijke plezier in de tekst, hun ideeën over hun verlangen, hun eventuele woede buiten schot. Ze pleit niet voor een verbod op deze eendimensionale leeswijze van literatuur (ik ook niet), maar ze wijst er, net als North, op dat ze langzamerhand de overheersende academische leeswijze begint te worden. Beschuldigende lezers, betoogt ze, verzetten zich altijd tegen de roman, hun argumentatie is gebaseerd op ‘againstness’. Niet op lust en plezier. De beschuldigde roman is in de ogen van beschuldigende lezers altijd nep, ‘fake news’. Ze lezen als Trump, ze beschouwen de roman als een complot en niet als een mogelijkheid. Ze vragen zich niet af in hoeverre romans op lezers invloed kunnen uitoefenen, welke effecten ze hebben, welke transformaties ze in lezers teweeg kunnen brengen, op welke talenten van lezeressen ze een beroep doen. Bijvoorbeeld op hun gevoel, verlangen en verbeelding. Welke nieuwe mogelijkheden romans kunnen creëren. Nieuwe gedachten, andere gevoelens dan die van ‘againstness’. Lustgevoel, plezierbeleving, bewondering, nieuwe en misschien zelfs betere illusies. Felski besteedt uitvoerig aandacht aan de nog steeds desastreuze invloed van het ‘symptomale lezen’ dat in de jaren tachtig en negentig aan universiteiten furore maakte. Romans lezen op zoek naar ‘sporen’ en ‘symptomen’ van onderdrukking en kapitalistische propaganda. Alsof je propaganda en onderdrukking niet allang in je leven onderkende. Moet je dat dan ook nog in romans gaan aanwijzen? Natuurlijk stellen romans soms onrecht aan de orde, vaak doen ze dat scherper en indringender dan politieke pamfletten, maar het gaat niet aan om ze eendimensionaal op maatschappelijke boodschappen na te lezen. En zeker niet als dat uitloopt op ‘restrictief’ lezen: ‘restrictive and repressive, closed, coercive, claustrophobic, exclusionary’. Als bewijzen van misdaden. Niet als broedplaatsen van mogelijkheden en verlangens. 

2. Lucas van der Deijl, Saskia Pieterse, Marion Prinse en Roel Smeets publiceerden in het tijdschrift Journal of Dutch Literature (7.1 (2016), 20-42) het artikel ‘Mapping the Demographic Landscape of Characters in Recent Dutch Prose: A Quantitative Approach to Literary Representation’. Arjan Peters schreef er in de Volkskrant van 12 oktober 2018 een pissige column over waarin hij zich verbaasde over de Engelstaligheid van het onderzoek en de uitkomsten ervan bespotte. ‘En wat denk je? Blanke westerse mannelijke auteurs schrijven vaak vanuit blanke westerse mannen, blanke westerse vrouwelijke meer vanuit blanke westerse vrouwen.’ Dit artikel kreeg in 2018 door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde de prijs uitgereikt (750 euro) voor het beste academische artikel van de laatste tijd. Raar is het wel: een Engelstalig artikel over Nederlandstalige romans dat een prijs krijgt van een gerenommeerd Nederlandstalig instituut. 

Maar helemaal raar is het niet. Nederlandse academische literatuuronderzoekers zijn verplicht in wetenschappelijke tijdschriften te publiceren. Publiceren ze niet of te weinig in zo’n blad, dan kan dat nadelig zijn voor hun carrière. Ze staan wat dit betreft onder grote druk. Veel van die tijdschriften bestaan hier niet. Het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde is er een, er zijn er nog een paar. Literaire bladen, kranten en weekbladen komen niet in aanmerking omdat daar geen leden van de peergroup in de redactie zitten. Dat is een beslissende voorwaarde. Dit betekent dat hier weinig publicatiemogelijkheden zijn. Onderzoekers publiceren overigens regelmatig artikelen, recensies en columns in buitenwetenschappelijke bladen maar ze verdienen er geen ‘wetenschappelijke punten’ mee. De fraaie studie Afgrond zonder vangnet van Yra van Dijk over Arnon Grunbergs oeuvre, waarin ze ook diens retorische systeem analyseert, krijgt vast en zeker geen punten. Het is niet door een peergroup beoordeeld, men beschouwt het als een professorale hobby. Hetzelfde geldt voor Thomas Vaessens originele literair-sociologische studie De Daf van mijn vader. Daar komt bij dat je als Nederlandse literatuurwetenschapper je onderzoek niet snel geplaatst krijgt in buitenlandse peergroup-bladen. Vandaar dat in 2014 het blad Journal of Dutch Literature werd opgericht. ‘The first English language, peer reviewed journal dedicated to the study of Dutch literature (…)’ schrijven de oprichters met enige vertwijfelde trots in de redactionele inleiding. Wetenschappers hebben er met dit blad een nieuw publicatieplatform bij. Maar raar blijft het: een Engelstalig onderzoek als winnaar van de prijs van een gerenommeerd Nederlandstalig instituut dat de Nederlandstalige letteren propageert. 

Het onderzoek wordt zonder enig voorbehoud of toelichting in het kader geplaatst van een maatschappelijk debat. ‘The lack of ethnic and gender diversity in the Dutch literary domain has recently been subject to dicussions in the public debate.’ Zou dit goed Engels zijn? Het klinkt belabberd, maar wie weet vindt de peergroup het goed omdat die gewend is aan dit jargon. De onderzoekers richten zich ‘on a larger scale than most qualitative studies (…) on the representation of gender, ethnic and class diversity’. Ze zetten een kwantitatieve meetmethode in, die van ‘distant reading’, en classificeerden in 170 Nederlandstalige romans de ‘identifying marks’ van 1176 romanfiguren (‘characters’) op ‘gender, descent, education, profession, age’. Ze beschouwden romanfiguren dus ongegeneerd als ‘echt’. Ze classificeerden ze op hun uiterlijke kenmerken. Niet dat ze dit echt wilden weten, maar om de gegevens in te kunnen zetten bij een beschuldigende visie op Nederlandstalige schrijvers. Schrijvers liggen op het hakblok. De onderzoekers classificeerden dus in alle ernst romanpersonages in 170 romans op basis van vijf eigenschappen, ik zeg het gewoon zoals het is. Geslacht, afkomst, scholing, beroep, leeftijd. Plus subafdelingen als ‘wit’, ‘zwart’, ‘homo’, ‘hetero’, ‘man’, ‘vrouw’, ‘hoger/lager opgeleid’ etc. Hoe vaak ze in romans voorkomen. Hoe vaak ‘armen’, ‘zwarten’, homo’s, en ‘vrouwen’ etc. in romans voorkomen? Gaan we dat tellen? Ja, echt waar. Even mijn ogen uitwrijven. Voor de zekerheid ook maar schedelmetingen erbij doen? Mensen in gele auto’s? Vrouwen met en zonder bril? Leden van korfbalverenigingen? Fans van Elvis? Lezers van De Gids?

Lachen moest ik er ook om. Ik zag voor me hoe de onderzoekers en hun assistenten (ze noemen in een voetnoot de acht medewerkende studenten) al die ellendige romans onder elkaar verdeelden. ‘We zijn met z’n twaalven, dus ieder neemt 170 gedeeld door twaalf is veertien romans voor z’n rekening. Jij die, ik die, nee, ik die, dan jij die, ja maar, die is dikker dan jij hebt. Oké, oké, we tellen het aantal pagina’s en die verdelen we.’ Heerlijk. Lezen hoefde niet, stel je voor zeg, lezen, dat doen we niet. De romans in computers stoppen, en dan maar ranken op de afgesproken punten.  

‘Distant reading’ heet dit. Data verzamelen. Romans onderzoeken zonder ze te lezen. Ik heb er geen zin in om lang bij deze ‘leesmethode’ stil te staan, lees er maar bezwaren tegen in North, Felski en Moi. Of lees het werk van Franco Moretti, de bedenker ervan, zie bijvoorbeeld zijn Distant Reading (2013). Op het ogenblik is dit hot in literairwetenschappelijk academieland. Lezen aan de hand van wiskundige modellen. Algoritmen. Data verzamelen en aan daarmee schrijvers ontmaskeren. Zou iemand van de studenten ooit een tegenwerping hebben gemaakt, heel voorzichtig. Zo van: ‘Mensfiguren indelen naar eigenschappen? Is dat niet een heel klein beetje raar, deden ze dat vroeger ook niet, in de oorlog, of zo, daar las ik iets over. Sorry, ik zeg maar wat. Of zijn ze echt? Maar ze zijn toch niet echt? Weet je wel. Of niet dan? En wat gaan we met deze gegevens, sorry data, precies doen?’ 

De onderzoekers willen met hun gegevens Nederlandstalige literatuur en vooral schrijvers ontmaskeren. ‘Our hypothesis is that the limited diversity among Dutch or Belgian authors and within literary institutions could lead to a confined [beperkt – KtH] ethnic, gender and class diversity within the novel itself.’ Er is niet genoeg diversiteit onder schrijvers, stellen ze, en dus ook niet in hun romans. Ze laten het laatste met grafieken zien. Kijk maar, er komen in de 170 Nederlandstalige romans minder ‘vrouwen’, ‘zwarten’ ‘homoseksuelen’, ‘laagopgeleiden’ voor dan zou moeten volgens de bevolkingsstatistieken. Ze menen het echt, ik verzin dit niet. Ik probeer hier heel rustig naar te kijken, want het is wetenschappelijk. Inademen, uitademen. Dus schrijvers moeten meer diversiteit in hun romans doen. Hoeveel, dat kun je in de grafieken nagaan. Het staat er. Echt waar. Stalin en het sociaal realisme. Weerspiegelingstheorie. Literatuur doorzoeken op voorgeschreven afbeeldingen van werkelijkheid. Wetenschap. En schrijvers moeten divers worden, ik heb gisteren al een afspraak gemaakt met de diversiteitsdokter. 

Even verderop formuleren de onderzoekers nog een paar hypotheses. ‘We expected that poorly educated and/or non-Western groups would be underrepresented in absolute numbers. We also supposed a correlation between the level of education and the gender of narrators, that is, men having more frequently enjoyed higher education than women. Concerning the professions of the characters we presumed that male and female characters were employed in different fields.’ Ik zeg maar niets over het Engels want dat beheers ik ook niet goed. En? Tonen ze het aan? Ja. In Grafieken. Maar ze wisten het van tevoren toch al? Ze hadden toch wel eens in een Nederlandse straat om zich heen gekeken? Een krant gelezen? Ze hadden toch al eerder Nederlandstalige romans gelezen? Of waren die 170 Nederlandstalige romans de allereerste romans die ze ooit lazen? Hun onderzoek zou overigens pas, methodologisch gezien, wetenschappelijk zijn wanneer het inderdaad de eerste romans waren die ze ooit lazen. Nu bewijzen ze alleen hun gelijk dat ik ze toch al gaf. Daar hadden ze dit onderzoek niet voor nodig. Arjan Peters had gelijk met zijn opmerking. Het bekende bewijzen. Bewijzen dat de verkoop van paraplu’s stijgt wanneer het regent. Fake onderzoek. Goedgekeurd door de peergroup. Plus een mooie prijs als bonus van een topinstituut waar ik lid van ben. Topwetenschap. 

Er is nog iets raars. De onderzoekers beschuldigen dus Nederlandstalige schrijvers van tekorten op het gebied van diversiteit. Bovendien hebben die schrijvers niet genoeg aandacht voor ‘poorly educated and/or non-Western groups’ (ik geef me hierbij alvast op voor een cursus). Maar hoe zit dit bij het onderzoeksteam zelf? Zijn daar leden bij van ‘non-Western groups’? Laten we kijken naar de samenstelling ervan, eerst alle namen op een rijtje: Lucas van der Deijl, Saskia Pieterse, Marion Prinse, Roel Smeets, Obe Alkema, Nadine van Maanen, Evelyn Reijnders, David van Oeveren, Maria Dijkgraaf, Bram Galenkamp, Carmen Verhoeven en Jetske Steenstra. Non-Western? Je mag natuurlijk niet op namen afgaan, maar toch. Lucas, Saskia, Marion, Roel, Obe, Nadine, Evelyn, David, Maria, Bram, Carmen, Jetske. Hoe zit het daar aan die universiteit? Komt er nog wat van met die ‘non-Western groups’? Ja, wel schrijvers verwijten maken en de kritische onderzoeker uithangen maar zelf geen fluit op dit gebied ondernemen. En, nu ik het er toch over heb: zaten er wel genoeg homoseksuelen in het team? 
Ik moet hiermee stoppen.

Nog een laatste punt. De onderzoekers onderzochten de 170 Nederlandstalige romans die op de bulklijst stonden van de Libris Prijs 2013. Mijn roman Hotel Vertigo stond er ook op, hij haalde de longlist. Iemand heeft hem dus gerankt. Komen er leden van ‘non-Western groups’ en/of niet-‘witte’ personages in voor? Er speelt een ‘zwarte’ taxichauffeur in San Francisco een (kleine) rol in. De teller van dienst heeft hem vast en zeker geclassificeerd als: Zwart, Lager Opgeleid, Taxichauffeur (ik krijg hier echt de zenuwen van, ik schaam me plaatsvervangend diep). Niet geclassificeerd zijn uiteraard de gedachten die door mijn hoofd speelden toen ik hem opvoerde, plus de functie die hij in de roman kreeg. Taxichauffeurs zijn in San Francisco meestal ‘zwart’, zoals dat in de identiteitsmythologie heet. Ik gaf hem doelbewust een kleine, speciale rol, niet die van ‘zomaar’ een chauffeur. Hij is uiterst oplettend en bezorgd, hij vervoert het oudere hoofdpersonage (ja hoor: hetero, ‘wit’, hoogopgeleid, steenrijk: erg hè!) naar een volstrekt foute buurt in San Francisco en foute buurten zijn daar echt fout. Hij waarschuwt hem. Moet u hier werkelijk zijn? Klopt het adres wel? Hij biedt zelfs aan op hem te wachten, wat zeer ongebruikelijk is. Hij is warm en empathisch, tenminste dat probeerde ik van hem te maken. Hij contrasteert hierin met het hoofdpersonage: een obsessieve, neurotische man. Nee, hij is niet ‘echt’, hij is een constructie, een illusie, een contrast, ik heb hem nooit gezien. Mijn tweede ‘zwarte’ personage is een oude vrouw die in de verkeerde buurt op haar twee kleinzonen past. De oude ‘witte’ man bezoekt haar. Ze verdient geld met waarzeggen en kaartleggen. Ik heb er zorgvuldig aan gewerkt van haar een indringend geheel te maken, een heldin moest het zijn, ik hield van haar toen ik haar verbeeldde. Zij is de enige vrouw die door de ‘held’ van het boek in vertrouwen wordt genomen. Hij kent haar niet, ontmoet haar voor de eerste keer en legt haar zijn problemen voor. Hij neemt haar in vertrouwen. Ook zij contrasteert met het hoofdpersonage. Ze is ongetwijfeld geclassificeerd als Zwart, Vrouw, Laagopgeleid, Waarzegster. Ik probeer niet kwaad te worden. Krijg ik nu ook een prijs? 

Naar aanleiding van dit essay schreven onderzoekers Lucas van der Deijl en Roel Smeets het stuk Als het boek maar mooi is? In reactie op Kees ’t Hart, dat ook op de website van De Gids is gepubliceerd.

Rita Felski, The Limits of Critique, The University of Chicago Press, 2015 Toril Moi, Revolution of the Ordinary, The University of Chicago Press, 2017 Franco Moretti, Distant Reading, Verso 2013 Joseph North, Literary Criticism. A Concise Political History, Harvard University Press, 2017

Steun De Gids en word abonnee voor 40 euro per jaar (25 euro voor studenten, proefabonnement 7,50 euro). https://de-gids.nl/abonneren

Kees ’t Hart publiceert vanaf 1988 bij Uitgeverij Querido romans, gedichten en essays. Hij schrijft recensies en essays voor De Groene Amsterdammer en kreeg de J. Greshoffprijs voor zijn essaybundel Het gelukkige schrijven. In juli verschijnen de roman De ziekte van Weimar en de dichtbundel Memoires van een jongen.

Meer van deze auteur